| 1.
O o friese wind en terpen van mijn winterhaard
en sneeuwpaleis: aan deze landtong
wil ik even sterven.
Hier waar een God niet God maar De Here wordt.
IJselijk ijzig en ongenadig als altijd.
Hier aan de grens van de horizon, bij jankende
honden uit de poolnacht. Bij de dijkendelvers,
die barse bewoners onder een grijs en
laaggespannen hemel.
Ten oosten van deze ingedijkte binnenzee
wil ik mijn mooiste namen horen, wil ik
meermaals vervloekt worden.
(openingsgedicht)
|